Brandonderzoek, klaar voor nieuwe ontwikkelingen

Brandonderzoek, klaar voor nieuwe ontwikkelingen

Jildou Visser

In ruim tien jaar heeft brandonderzoek zich doorontwikkeld tot een volwaardig onderdeel binnen de brandweer. In totaal werken in Nederland 97 brandonderzoekers verspreid over 24 regio’s. Zij hebben ruim twaalfhonderd onderzoeken gedaan. Toch zijn er verschillen tussen de regio’s in hoe zij brandonderzoek hebben georganiseerd. Rotterdam, Noord-Nederland, Brabant-Noord en Zuid-Limburg geven een kijkje in de keuken. Ymko Attema, voorzitter van de vakgroep brandonderzoek van Brandweer Nederland is tevreden met wat er in de afgelopen tien jaar is bereikt, maar heeft ook plannen om het verder door te ontwikkelen.

BR201901-1417BRANDONDERZOEK2

‘In navolging van Brandweer Apeldoorn zijn we in 2008 landelijk op kleine schaal met een pilot brandonderzoek begonnen. Als ik dan zie waar we nu staan, ben ik best trots. We halen veel kennis uit alle onderzoeken die worden gedaan, zowel voor vakbekwaamheid, risicobeheersing en preventie als voor het repressief optreden’, begint Attema. Toch ziet hij ook dat nog veel verbeterslagen mogelijk zijn. Eén ervan is het aantal uren dat een brandonderzoeker beschikbaar is. ‘Maar weinig regio’s hebben echt een fulltime brandonderzoeker in dienst. In de meeste gevallen is het 0,2 fte van de functie. Ik denk dat als we meer tijd aan brandonderzoek kunnen besteden, we er veel meer kennis uit kunnen halen. Het is echt een vak, dat doe je er niet even bij.’

Visie op brandonderzoek

Voor de komende jaren heeft de vakgroep brandonderzoek vier speerpunten vastgesteld waarop ze het verder willen ontwikkelen. De eerste is het opstellen van een visie op brandonderzoek waarbij ook het vraagstuk over het uitbreiden van brandonderzoek naar incidentonderzoek wordt opgepakt. ‘Ook op het gebied van bijvoorbeeld technische hulpverlening en incidentbestrijding gevaarlijke stoffen kunnen we veel leren van onderzoek. Je ziet de ontwikkeling al op gang komen. Rotterdam-Rijnmond noemt de taak al incidentonderzoek in plaats van brandonderzoek. De komende jaren wil ik aan de slag om het onderzoek ook naar deze taken van de brandweer uit te breiden.’

Vakbekwaamheid

Een tweede speerpunt van de vakgroep is het ontwikkelen van een vakbekwaamheidsprogramma waarmee de onderzoekers niet alleen vakbekwaam kunnen worden, maar ook blijven. Attema: ‘Op dit moment hebben we alleen een opleiding om vakbekwaam te worden. Dat blijft. Daarnaast willen we ook een trainingsprogramma ontwikkelen, zodat alle onderzoekers hun vak goed kunnen blijven uitoefenen en kennis op kunnen blijven doen over allerlei nieuwe ontwikkelingen.’

Leren van brandonderzoek

Ook op het gebied van het leren van brandonderzoek wil de vakgroep ontwikkelingen doormaken. Aan de ene kant kan dat met de database die in februari wordt gelanceerd. Aan de andere kant wil Attema de casuïstiek ook beter benutten. ‘De laatste jaren brengen we al geregeld een casuïstiekboek uit. Daar is veel interesse voor. De casuïstiek op de website van Brandweer Nederland is bijvoorbeeld de best gelezen pagina van de site. Dat kunnen we op een aantal terreinen nog beter benutten, bijvoorbeeld door nog specifieker in te gaan op de best practices ten behoeve van Brandveilig Leven of nog nadrukkelijker in te zoomen op de repressieve inzet.’

Data

Het vierde en laatste speerpunt van de vakgroep ligt op het gebied van data. Om meer kennis uit de onderzoeken te halen, wordt gewerkt aan het opzetten van een landelijke database. Die hoopt Attema in februari operationeel te hebben. ‘Als we alle onder­zoeken landelijk in een database kunnen bundelen, zijn we veel beter in staat om trends eruit te halen. Tot nu toe deden we dat alleen op het gebied van fatale woningbranden en reddingen. Straks kunnen we dat bijvoorbeeld ook op het gebied van accubranden of branden met een rookgasexplosie. Ik verwacht veel van die database. Het stelt ons echt in staat om een statistische onderbouwing te vinden voor het onderbuikgevoel dat we nu soms al hebben.’

Met de vier speerpunten hoopt Attema dat over tien jaar de meerwaarde van brandonderzoek nog beter zichtbaar is. ‘Dat betekent ook dat we continu moeten meegaan in de nieuwe ontwikkelingen in incidentbestrijding. Neem bijvoorbeeld de energietransitie. Daar is in de incidentbestrijding nog veel onbekend, maar ook op het gebied van het doen van brandonderzoek ernaar weten we nog niet veel.’

Rotterdam-Rijnmond: meeste onderzoeken

In de verschillende regio’s in het land is de manier waarop brandonderzoek wordt ingevuld en de prioriteit die eraan gegeven wordt wisselend. Waar Veiligheidsregio Brabant-Noord geen onderzoekers in dienst heeft en het afgelopen jaar slechts drie onderzoeken heeft laten uitvoeren, is Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond samen met Zuid-Holland Zuid koploper in het aantal onderzoeken. Met elf onderzoekers hebben zij in 2018 maar liefst 280 incidenten onderzocht. In de regio’s wordt vanaf grote brand standaard een brandonderzoeker gealarmeerd. ‘BIj middelbrand kunnen we op eigen initiatief besluiten ter plaatse te gaan. Daarnaast onderzoeken we één op de vijf woningbranden. Bij iedere vijfde woningbrand krijgen we een melding. We kunnen dan meeluisteren en indien nodig achteraf de bevelvoerder bellen voor meer informatie’, vertelt Kenneth van Veen, coördinator brand- en incidentonderzoek in Rotterdam-Rijnmond. ‘We hebben de afgelopen jaren een grote ontwikkeling doorgemaakt. We zijn tien jaar geleden begonnen met zes mensen. Twee jaar later is ook Zuid-Holland Zuid aangehaakt. In de loop der jaren kwam er steeds meer vraag naar, daarop is het aantal brandonderzoekers uitgebreid en is een hard piket ingesteld. Wij zijn echt 24 uur per dag beschikbaar.’

Van Veen benadrukt dat de kracht van het brandonderzoeksteam is dat de onderzoekers op verschillende afdelingen binnen de brandweer werken. ‘We hebben mensen van de afdeling risico­beheersing, Brandveilig Leven en ook enkele personen uit de repressieve dienst. Alleen de afdeling vakbekwaamheid is nog niet goed vertegenwoordigd. We zijn momenteel twee nieuwe onderzoekers aan het werven. We hopen dat daar ook iemand van de afdeling vakbekwaamheid tussen zit, zodat we daar in de onderzoeken ook ons voordeel mee kunnen doen’, aldus Van Veen. ‘De onderzoekers uit de repressieve dienst delen met z’n drieën één piket. Dat heeft te maken met de 24-uursdiensten die ze draaien, die zijn niet te combineren met het piket van brandonderzoek. Zij worden ieder achttien diensten per jaar vrijgemaakt voor brandonderzoek.’

In de regio is Van Veen ook bezig met de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van brandonderzoek. ‘We zien met de energie­transitie allerlei nieuwe ontwikkelingen op ons afkomen. Dat geldt voor brandbestrijding, maar ook voor brandonderzoek. Met onze handschoenen aan doorzoeken we altijd de brandresten, maar we hebben eigenlijk geen idee of dat bij bijvoorbeeld batterijbranden ook verstandig is. Daar zitten toch andere materialen in. Het is een gebied waar we ons de komende jaren verder in moeten verdiepen’, vertelt Van Veen. Om te leren doet de regio wel onderzoek naar de nieuwe ontwikkelingen. Zo was er onlangs brand in een nul-op-de-meterwoning in Vlaardingen. ‘Doordat de brand tussen het isolatiemateriaal en de dakpannen en zonnepanelen zat, was deze lastig te bestrijden. Wij onderzoeken nu wat er precies is gebeurd en hoe dat voorkomen kan worden, zodat we die kennis in de toekomst ook kunnen gebruiken bij het uitbrengen van advies over deze woningen. We weten dat ze in Haaglanden ook druk bezig zijn met alle ontwikkelingen op het gebied van de energietransitie. En de verzekeraars zijn ook erg geïnteresseerd. We proberen zoveel mogelijk informatie te delen, zodat iedereen ervan kan leren.’

BR201901-1417BRANDONDERZOEK

Noord-Nederland: samen één team

De veiligheidsregio’s Fryslân, Groningen en Drenthe hebben samen één brandonderzoeksteam. Iedere regio levert drie brand­onderzoekers. Zij werken interregionaal samen. Iedere week hebben twee onderzoekers uit verschillende regio’s piketdienst. Noord-Nederland werkt met een zacht piket, waarmee onder­zoekers tijdens kantooruren onderzoek doen, maar wel 24 uur per dag kunnen worden gealarmeerd. ‘Brandonderzoek doen wij na de brand en niet tijdens de inzet. Dat kan wat ons betreft dus ook als de brand al iets langer uit is en de locatie is afgezet. We werken met een eerste en tweede piketfunctionaris. De eerste is het aanspreekpunt en zoekt na een melding contact met zijn collega. Bij grote branden in de regio waaruit op dat moment niemand dienst heeft, kunnen we altijd zorgen dat één van de lokale brandonderzoekers aanhaakt’, vertelt brandonderzoeker René Silvius van Veiligheidsregio Fryslân. ‘We werken nu drie jaar op deze manier en dat werkt goed. We zijn echt een team.’

Het team uit Noord-Nederland onderzoekt in ieder geval één op de vijf woningbranden. Daarnaast worden de piketfunctionarissen standaard gealarmeerd bij grote brand en kunnen ze indien nodig worden gebeld bij andere branden. ‘En we onderzoeken branden die plotseling vaker voor lijken te komen of op een andere manier interessant zijn. Vorig jaar hebben we bijvoorbeeld een onderzoek gedaan naar branden met pelletkachels. Die kwamen toen plotseling vaker voor. Dat onderzoek loopt nog steeds. We hopen dat we met behulp van die resultaten gerichter kunnen inzetten op voorlichting bij eigenaren van een pelletkachel.’

In de drie noordelijke veiligheidsregio’s is brandonderzoek op dit moment nog een neventaak. ‘We hebben afgesproken dat we het project na drie jaar evalueren. We merken in de praktijk dat we nu niet altijd overal tijd voor hebben en soms nee moeten verkopen. Dat is jammer. Ik denk dat als de capaciteit wordt uitgebreid we nog meer kunnen leren van branden.’

BR201901-1417BRANDONDERZOEK1

Zuid-Limburg: vrije instroom

Veiligheidsregio Zuid-Limburg heeft sinds oktober 2016 een team brandonderzoek met vier brandonderzoekers. ‘We zijn nog niet zo lang bezig. Je merkt daardoor dat we sommige dingen nog moeten ontdekken. Bijvoorbeeld of we het op deze manier handig hebben georganiseerd of dat we het steviger in de organisatie moeten verankeren.’ Wat wel duidelijk is, is dat de resultaten uit brand­onderzoek een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de lerende organisatie.’ In de regio wordt niet gewerkt met een piket, maar met vrije instroom. Iedere onderzoeker heeft in principe een week lang dienst. ‘Het kan dus voorkomen dat de TBO’er op het moment dat een onderzoek gedaan kan worden, niet direct beschikbaar is’, aldus coördinator Elma Wolters van Veiligheidsregio Zuid-Limburg. ‘Daarnaast is het soms lastig dat het deel brandonderzoek maar 0,2 fte binnen de reguliere functie is. Je hebt momenten dat in de normale functie ook werk af moet, dan is het schipperen.’

In Zuid-Limburg is het al dan niet alarmeren van de brandonderzoeker aan de bevelvoerder, de Officier van Dienst (OvD) of Hoofdofficier van Dienst (HOvD). Wolters: ‘Er moet een goede onderzoeksvraag zijn, pas dan heeft het echt meerwaarde. Daarnaast kunnen wij ook ongevraagd in actie komen als we constateren dat er mogelijk een interessant incident is, uiteraard na overleg met de (H)OvD ter plaatse.’

Brabant-Noord: geen brandonderzoeker

In tegenstelling tot Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, de regio’s uit Noord-Nederland en Zuid-Limburg heeft Brabant-Noord geen brandonderzoeker in dienst. ‘We hebben één medewerker die liaison brandonderzoek is’, vertelt Caspar Pors van Veiligheids­regio Brabant-Noord. ‘Hij is de contactpersoon voor de verzekeraars die onderzoek doen en de contactpersoon voor brandonderzoekers uit andere regio’s. Bij bijzondere branden met veel vragen achteraf, kunnen we brandonderzoekers uit Brabant-Zuidoost inschakelen om bij ons onderzoek te doen.’

Porst legt uit dat het niet in dienst hebben van een brandonderzoeker een bewuste keuze van de regio is geweest. ‘We werken graag met het principe: we doen het goed of we doen het niet. Wij geloven dat brandonderzoek pas echt wat oplevert als het onderdeel is van een lerende organisatie. Wij hebben te weinig middelen om dit specialisme zelf goed en regelmatig te kunnen doen, daarom is dus besloten dat we het niet doen. Structureel brandonderzoek doen, levert het meeste op. We zijn wel aan het kijken of we het in de toekomst wel een structurele plek in de organisatie kunnen geven, maar het is nu nog te vroeg daar iets over te zeggen.’

Door Jildou Visser; fotografie Michel Van Bergen



Andere artikelen in deze aflevering