Natuurbrandbestrijding op alle fronten in ontwikkeling

Natuurbrandbestrijding op alle fronten in ontwikkeling

Visser, J.

Of het nou gaat om risicobeheersing, repressie of materieel, natuurbrandbestrijding is volop in ontwikkeling. Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden is samen met Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland en natuurbeheerders de gebiedsgerichte aanpak aan het uitrollen. Daarnaast worden testen gedaan op het gebied van alternatief blussen, zijn er ontwikkelingen in het natuurbrandverspreidingsmodel en is er op basis van wetenschappelijk onderzoek beschermende kleding voor natuurbrandbestrijding ontwikkeld.

Begin vorig jaar zijn de veiligheidsregio’s Noord- en Oost-Gelderland en Gelderland-Midden samen met de Vereniging Bos en Natuur Eigenaren op de Veluwe gestart met de gebiedsgerichte aanpak. ‘We zijn op zoek gegaan naar eenvoudig te realiseren maatregelen waarmee natuurbranden niet kunnen uitgroeien tot onbeheersbare branden. De grote natuurbrand op de Hoge Veluwe op 20 april vorig jaar heeft deze aanpak versterkt. We zagen bij die brand dat met het inzetten van nog meer TS’en een coördinatieprobleem ontstond. Het is een enorme klus om met zoveel eenheden een doelgerichte inzet te kunnen doen. Het is beter om natuurbranden kleiner te houden door preventief te compartimenteren, net zoals we dat bij gebouwen doen’, vertelt Jan Slakhorst, plaatsvervangend directeur brandweer van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden. In overleg met natuurbeheerders bekijken beide regio’s op de Veluwe waar het natuurgebied gecompartimenteerd kan worden. ‘Voor natuurbeheerders is het belangrijk dat de natuur behouden blijft. Er is bijvoorbeeld een aantal gebieden op de Veluwe waar bijzondere diersoorten of planten voorkomen. Die moeten we behouden en dus moeten we zorgen dat die gebieden goed gecompartimenteerd zijn. Daarnaast is de overgang van gras- of heidegebied naar bos een belangrijk punt. Voordat de brand het bos bereikt, moet deze worden gestopt. Als de brand overslaat naar een bos, kan het zoveel energie ontwikkelen dat je het veel lastiger onder controle kunt krijgen. Dat moet je voorkomen’, aldus Slakhorst. ‘Samen met de natuurbeheerders kijken we waar we het beste stoplijnen kunnen creëren. In een heidegebied heb je bijvoorbeeld veel paden en karresporen. Als je die kunt verbreden, heb je een goede uitgangspositie voor een natuurlijke stoplijn. Zo hebben we de zuidoosthoek van de Veluwe inmiddels aangepakt. Voor dit gebied zijn ook afspraken met natuurbeheerders gemaakt. Daarvoor zijn twee kaarten ontwikkeld. Op onze kaart staan naast operationele gegevens zoals bereidbare paden en de waterwinning per gebied, de belangen van de natuurbeheerders. Zo weten wij wat we wel en wat we niet kunnen doen. Op de kaart van de natuurbeheerders staan de preventieve maatregelen, zoals de stoplijnen. Zij onderhouden die door bijvoorbeeld jaarlijks te maaien of klepelen.’ Voor het overige deel van de Veluwe zijn de regio’s aan het onderzoeken welke gebieden in aanmerking komen voor de gebiedsgerichte aanpak en hoe dit ingevuld kan worden.

Hoe breed de stoplijnen precies moeten zijn, durft Slakhorst niet te zeggen. ‘Efectis doet hier onderzoek naar, maar concrete wetenschappelijke conclusies zijn er nog niet. We weten wel dat de breedte van een stoplijn afhankelijk is van het soort vegetatie, de hoogte en de stralingshitte die het afgeeft, maar de cijfers variëren nog van tien meter tot vier keer de vlamlengte bij gras- en heidebranden. Bij de brand op de Hoge Veluwe zagen we dat de vlammen zeker vijf meter lang kunnen zijn, dan zou de stoplijn dus twintig meter breed moeten zijn. Bij bosbranden met kroonvuur spelen nog andere factoren mee. Daar moeten de stoplijnen vele malen breder zijn.’

Natuurbrandverspreidingsmodel

Bij de gebiedsgerichte aanpak speelt ook het natuurbrandverspreidingsmodel een rol. Dit simulatiemodel komt van oorsprong uit Noord-Amerika en is de afgelopen jaren omgebouwd voor de Nederlandse situatie. ‘Met dit model kunnen we voorspellen hoe een natuurbrand zich de komende zes uren ontwikkelt’, vertelt projectleider Ester Willemsen van het IFV. In het natuurbrandverspreidingsmodel kunnen meteorologische gegevens als temperatuur, vochtigheid, windrichting en -snelheid worden toegevoegd. Op basis daarvan berekent het model hoe snel en in welke richting de natuurbrand zich uitbreidt. ‘We hebben het model nu gevalideerd voor heidegebieden. Die validatie konden we doen met behulp van ondere andere satellietbeelden van de brand op de Hoge Veluwe vorig jaar. We hebben onze modelberekening over die beelden gelegd en dan zie je dat het voorspelde nauwelijks afwijkt van hetgeen is gebeurd’, aldus Willemsen. ‘Voor andere typen vegetatie moeten we de validatie nog doen, zoals voor bos-, duin- en veengebieden.’

Het natuurbrandverspreidingsmodel staat nu nog op losstaande laptops. Willemsen hoopt dat het model dit jaar nog online kan worden gezet, zodat de regio’s er volgend jaar tijdens het natuurbrandseizoen gebruik van kunnen maken. ‘We kunnen de regio’s dan de tweede helft van het jaar uitleggen hoe het werkt en ermee laten oefenen. Het allermooist is het als de regio’s dan ook gebruik kunnen maken van een of meer (mobiele) meetstations. Dat is één van de andere natuurbrandprojecten waar we mee bezig zijn. Het verspreidingsmodel zou dan alle meteorologische gegevens kunnen uitlezen van het meetstation. Dat zou een mooie koppeling zijn. Maar of dat lukt, durf ik niet te zeggen. Mochten de meetstations dan nog niet beschikbaar zijn, kan vooralsnog met een kleine windmeter gemeten worden. De windsnelheid en -richting hebben namelijk de grootste invloed op de brandverspreiding.’

Pilot voorbranden

In de Landelijke Vakgroep Natuurbranden (LVN) loopt ook een pilot voor het alternatief blussen van natuurbanden. De veiligheidsregio’s Noord- en Oost-Gelderland en Gelderland-Midden onderzoeken samen met Defensie of ze door het gecontroleerd weg laten branden van stukken natuur een natuurbrand kunnen stoppen. Ook Twente, IJsselland en Drenthe zijn bij de pilot aangesloten. ‘Deze manier van brandbestrijding komt uit onder andere Amerika en Engeland. In Nederland zijn ze er vooral bij Defensie al langer mee bezig. In het voorjaar branden zij bij het Artillerie Schietkamp en het Infanterie Schietkamp preventief stukken heide en grasland af.

Binnen de pilot hebben de brandploegleiders hun theorielessen gehad. Begin maart willen we ze op de terreinen van Defensie ervaring laten opdoen met het aansteken en gecontroleerd laten afbranden van het gebied. Dan gaat het met name om hoe en waar je het aansteekt, waar je aan moet denken en hoe je zorgt dat alles veilig gebeurt’, legt Slakhorst uit. ‘We gaan dan bekijken hoe het voorbranden werkt en onder welke voorwaarden het daadwerkelijk inzetbaar is. Als dat zo is, gaan we samen met de Brandweeracademie de les- en leerstof voor deze brandbestrijdingstactiek verder ontwikkelen. We mogen tot 15 maart in de natuur oefenen. We bekijken daarna of we er verder mee kunnen of dat we meer tijd nodig hebben.’ Indien de resultaten positief zijn, moeten volgens Slakhorst eerst afspraken met de natuurbeheerders worden gemaakt voordat het voorbranden daadwerkelijk in de praktijk wordt toegepast. Ook juridisch moet een en ander worden uitgezocht. ‘We steken bij brand actief extra stukken natuur aan en daar willen we als de brand al woedt geen discussie over voeren. Het is de bedoeling dat we vanuit de stoplijnen eerst een klein stukje heide of grasland aansteken. Dat laat je afbranden. Vervolgens steek je een volgend stukje aan, totdat je een lijn van ongeveer twintig tot dertig meter hebt weggebrand. Met deze brandbestrijdingstactiek nemen we de brandstof weg, wordt de stoplijn breder en dus ook de kans dat we de brand daar tegen kunnen houden. Als alles meezit kunnen we het wellicht volgend jaar al toepassen.’

LCMS-mobiel

Een andere belangrijke ontwikkeling is volgens Slakhorst dat iedereen hetzelfde Command and Control Systeem gebruikt. Bij de brand op de Hoge Veluwe vorig jaar gebruikten de veiligheidsregio’s Noord- en Oost-Gelderland en Gelderland-Midden ieder hun eigen systeem. In het evaluatierapport van deze grote natuurbrand wordt aanbevolen landelijk met hetzelfde systeem te werken. Slakhorst: ‘Wij hebben vorig jaar ons eigen CCS, het Eagle system omwille van uniformiteit vervangen door LCMS-mobiel. Met dit systeem kunnen we eenheden in het veld zien rijden, weten we precies waar de brand woedt en kunnen we de eenheden daar doelgericht op aansturen. Ook de waterwinning kun je met LCMS coördineren. Dat bevalt goed. Het zou goed zijn als alle natuurbrandbestrijdingseenheden in Nederland met dit systeem gaan werken, zodat we de gegevens ook netcentrisch kunnen delen. Noord- en Oost-Gelderland gaat hun systeem dit jaar ombouwen, zodat ze volgend jaar ook met LCMS-mobiel werken en we op de Veluwe als een natuurbrandbestrijdingsorganisatie kunnen optreden.’

Onderzoek bluskleding natuurbranden

Na de verschijning van het onderzoeksrapport van de toenmalige Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, tegenwoordig de Inspectie Veiligheid en Justitie, is de Landelijke Vakgroep Natuurbranden (LVN) een deelonderzoek gestart naar de bluskleding bij natuurbranden. Het onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met Eric Mol van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN) en Ronald Heus van het IFV. ‘We zijn begonnen met het identificeren van de kenmerken waaraan beschermende kleding voor natuurbrandbestrijding moet voldoen. TenCate Protective Fabrics heeft op basis van die kenmerken met innovatieve doeksoorten twee nieuwe pakken ontwikkeld. Het belangrijkste is dat de stoffen in gewicht een stuk lichter zijn’, vertelt Mol.

Het tweede deel van het onderzoek bestond uit een tweetal experimenten waarbij is gekeken naar het verschil tussen warmteopbouw in een traditioneel bluspak en de twee nieuw ontwikkelde bluspakken. Bij het eerste experiment moesten de deelnemers in ieder pak een keer een testcircuit afleggen. Dit circuit was opgebouwd uit een aantal voor natuurbrandbestrijding kenmerkende taken. ‘De tweede serie experimenten hebben we in een klimaatkamer gedaan. Bij 40°C en 40% relatieve luchtvochtigheid hebben de deelnemers met ieder bluspak een veertig minuten durende inspanningstest gedaan.’

Bij beide experimenten meet Mol de lichaamsptemperatuur en de hartslagfrequentie. ‘Ook hebben we de deelnemers een vragenlijst voorgelegd, met onder andere vragen over hoe warm ze het hadden, hoe erg ze hadden gezweet en hoe zwaar het was’, licht Mol toe. ‘Uit de meetgegevens konden we de warmteopslag in het lichaam berekenen. Bij een regulier bluspak was de warmteopslag twee keer zo hoog ten opzichte van de nieuwe bluspakken, een fors verschil. We hebben niet specifiek het verschil in inzetbaarheid tussen de pakken onderzocht, maar logischerwijs kunnen we concluderen dat als de warmteopslag in de nieuwe pakken lager is, het prestatievermogen minder snel afneemt en brandweerlieden dus langer inzetbaar zijn. Bovendien is er een beperktere kans op hittestuwing. We moeten in Nederland meer kijken naar de taak en welke bescherming we daarvoor nodig hebben. Het huidige bluspak is maar in vijf tot maximaal tien procent van de gevallen nodig. Bij de overige inzetten zijn we overbeschermd en dat leidt tot negatieve effecten.’

Nieuwe bluskleding Handcrew Team

Mede op basis van de onderzoeksresultaten heeft het Handcrew Team Overijssel in februari voor natuurbrandbestrijding nieuwe bluspakken gekregen. ‘Bij natuurbranden gaan we te voet het veld in om de brand te bestrijden. Het is fysiek zwaar werk en dat is ondoenlijk in een gewoon bluspak. We wisten van het onderzoek van Eric Mol en zijn collega’s af en zijn daarbij aangehaakt’, vertelt Adriaan ter Huurne van Brandweer Twente. Al tijdens de experimenten zijn de brandweerlieden enthousiast over de lichte pakken. De stof is enkellaags en erg dun, maar wel brandwerend. Het neemt vocht op en staat het af aan de buitenlucht, zodat ze niet nat worden van het zweet. ‘Na de experimenten zijn we met de lichtste stof zelf het pak gaan samenstellen. Daarbij hebben we vooral gekeken naar praktische dingen, zoals het aantal zakken en de grootte ervan. Op de borst hebben we een zak voor de portofoon, op de mouw één voor de telefoon en op de knieën hebben we anti-slijtplekken laten maken. Daarnaast hebben we in de mouwen en broekspijpen manchetten laten maken, zodat we niet zwart worden van het stof en de as bij natuurbranden en de kraag is wat hoger’, aldus Ter Huurne. ‘Tot slot hebben we ook brillen en helmen met een extra grote nekflap tegen het stof en de as. Begin maart hebben we de grote vuurdoop van de pakken met de oefeningen, maar nu al zijn we er erg blij mee. Normaal deden we de jassen als eerste uit. Nu hoeft dat niet en blijven we optimaal beschermd.’ ■

Virtueel oefenen

Natuurbrandbestrijding kan sinds februari ook virtueel worden geoefend met het oefensysteem BA-ADMS. Dit was al langer mogelijk in het virtuele oefensysteem XVR, dat wordt gebruikt in de veiligheidsregio’s Gelderland-Midden, Utrecht, Noord-Holland Noord, Zeeland en Noord- en Oost-Gelderland..

‘In samenspraak met de ontwikkelaar van ons systeem hebben we drie jaar geleden de virtuele omgeving voor natuurbrandbestrijding ontwikkeld. Daarin zijn de voor natuurbrand relevante typen vegetatie die we in Nederland tegen kunnen komen, verwerkt’, vertelt

Jessica de Olde van Brandweer Gelderland-Midden. ‘We gebruiken deze virtuele omgeving specifiek om de tactiek bij natuurbrandbestrijding voor bevelvoerenden te oefenen. Dan gaat het onder andere om hoe je je eenheden inzet, waar je ze neerzet, waar je de stoplijn bepaalt en of je offensief of defensief inzet. Bij deze virtuele oefeningen gebruiken we ook de gegevens uit het natuurbrandverspreidingsmodel, zodat ingespeeld kan worden op de gegevens over de verspreiding van de brand.’

BA-ADMS

In het oefensysteem BA-ADMS is het bestaande landelijk gebied in het systeem in februari onder andere uitgebreid met vier secties voorzien van zandpaden in de droge heide, natte heide, heuvelachtig gebied met naaldbos en veengebied. Met toevoeging van enkele data voor droge heidegebieden vanuit het natuurbrandverspreidingsmodel kan nu ook met dit systeem natuurgetrouw geoefend worden. De uitbreiding van BA-ADMS is een initiatief van de veiligheidsregio’s Midden- en West-Brabant, Limburg-Noord, Brabant-Zuidoost en Brabant-Noord in samenwerking met de Brandweeracademie van het IFV. Binnen deze regio’s wordt de software ingezet om bevelvoerders en Officieren van Dienst (OvD) te trainen op mono- en multidisciplinair niveau.

18-21 natuurbrandbestrijding 1
Brandweerlieden proberen de grote natuurbrand op de Hoge Veluwe op 20 april vorig jaar onder controle te krijgen. Bij deze brand bewijzen bewijst het natuurbrandverspreidingsmodel haar meerwaarde.
19 natuurbranden foto 2
Bij een praktijkoefening in Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden worden aan de hand van het natuurbrandverspreidingsmodel beslissingen genomen. Fotografie: Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden
18-21 natuurbrandbestrijding 3
Bij het eerste experiment in het onderzoek naar bluskleding voor natuurbranden moesten de deelnemers in ieder pak een keer het testcircuit afleggen.Fotografie: Eric Mol
18-21 natuurbrandbestrijding 4
Mede op basis van de resultaten van het onderzoek naar geschikte bluskleding bij natuurbranden heeft het Handcrew Team Overijssel nieuwe bluspakken gekregen.Fotografie: Matthijs Steen

Andere artikelen in deze aflevering

Nieuwe visie maakt 
jeugdbrandweer 
volwassen

De Raad van Brandweercommandanten stemde eind oktober in met een nieuwe visie op de jeugdbrandweer voor de 158 jeugdkorpsen. De visie moet de doorstroom van jeugdleden naar de brandweer bevorderen.