Deelprojecten natuurbrandbeheersing in volle gang

Deelprojecten natuurbrandbeheersing in volle gang

Haven, J.

Gebiedsgerichte aanpak, Vuistregels natuurbrandbeheersing, het Natuurbrandverspreidings-model en de Risico-Index Natuurbranden zijn vier deelprojecten die vallen onder het omvangrijke project Natuurbrandbeheersing van Brandweer Nederland. De onderwerpen zijn niet nieuw, er is de afgelopen jaren al hard gewerkt. Nu is het een kwestie van verder ontwikkelen en de projecten op elkaar afstemmen en borgen.

Om de visie Natuurbrandbeheersing, die eind vorig jaar is vastgesteld, landelijk uit te voeren is het project Natuurbrandbeheersing Brandweer Nederland, dat valt onder het programma Samen werken aan grootschalig en specialistisch optreden Brandweer Nederland, in het leven geroepen. Het project kent drie hoofd-onderwerpen: informatievoorziening, specialisatie en organisatie. Onder deze drie hoofdonderwerpen vallen de verschillende activiteiten of deelprojecten. We lichten vier deelprojecten toe.

BR201704-96385P18-NATUURBRANDBEHEERSING
Klaas Noorland: ‘Met best practices willen we gebiedsgerichte aanpak vormgeven.’

Gebiedsgerichte aanpak

Klaas Noorland is deelprojectleider van de gebiedsgerichte aanpak. Op dit moment wordt de projectgroep samengesteld met zowel mensen vanuit de brandweer als vertegenwoordigers van natuurbeheerorganisaties. ‘De doelstelling is om samen tot een uniforme aanpak te komen om zo de kans op onbeheersbare branden te verkleinen en de effecten ervan te verminderen’, begint Noorland. ‘Natuurbranden hebben niet alleen impact op onze flora en fauna. In veel gebieden ligt vitale infrastructuur, zijn zorginstellingen gevestigd en liggen recreatiegebieden middenin de bossen. Dat loopt risico bij brand en dus moet met al deze factoren rekening worden gehouden bij het opstellen van een gebieds-gerichte aanpak.’

Met ervaringen die zijn opgedaan in eerdere pilots wil Noorland de gebiedsgerichte aanpak vormgeven. ‘Dit moet de rode draad vormen voor alle regio’s en de natuureigenaren. Uiteraard gaat het om maatwerk. We ontwikkelen een soort toolbox met maatregelen die regio’s en natuureigenaren kunnen gebruiken om risico’s te reduceren. De gebiedsgerichte aanpak kun je zien als een richtlijn waarop wordt voortborduurd. Belangrijk is dat we kennis verzamelen en borgen.’ Ook binnen de regio’s en bij de natuur-eigenaren moet de informatie worden geborgd voor de kennisoverdracht en om vakbekwaam te blijven. Het moet volgens Noorland niet persoonsafhankelijk zijn, want dan is de kans groot dat kennis weer verloren gaat. Ook moet er continu verbinding zijn tussen de betrokken partijen die werken aan de verdere ontwikkeling en opleiding, zoals de Brandweeracademie, het IFV, natuurbeheerorganisaties en hogeschool Van Hall Larenstein.

Maatregelen in de natuur dragen volgens Noorland binnen de gebiedsgerichte aanpak bij aan het verminderen van risico’s. ‘Denk aan het aanplanten van andere soorten vegetatie die minder brandbaar zijn of een minder hoge vuurbelasting hebben. Of het versterken van natuurlijke barrières. Door bij het (her)inrichten van een gebied te kijken naar de preventieve mogelijkheden raak je beide doelstellingen: het verkleinen van de kans en het kunnen beheersen van de effecten. We moeten ook rekening houden met klimaatverandering om natuurbranden in de toekomst beheersbaar te houden. Meteorologische factoren zoals droogte, temperatuur en harde wind zijn van invloed waardoor de effecten groter kunnen zijn.’

Gebiedsgerichte aanpak is niet nieuw. In het land hebben diverse regio’s al pilots gedraaid. Dat wil volgens Noorland nog niet zeggen dat die regio’s daarmee klaar zijn. ‘Zij hebben van een bepaald gebied de risico’s in kaart gebracht en ideeën hoe zij het risico kunnen verminderen. Het vormgeven aan de maatregelen, daar gaat vervolgens nog eens een groot aantal jaar overheen. Samen met natuurbeheerorganisaties brengen we de risico’s in kaart. Door elkaars belangen en verantwoordelijkheden te bespreken, kun je kijken naar passende en realistische maatregelen.’

Voorbeelden van concrete maatregelen die een natuurbeheerder kan uitvoeren zijn het vervangen van naaldhout rond een transformatorstation door struikgewassen die minder brandbaar zijn. ‘Of in een groot aaneengesloten gebied met naaldhout een meanderende corridor van heide aanleggen’, vervolgt Noorland. ‘Daarbij gaat het niet om een recht stuk natuurgebied dat is vervangen, maar een nieuwe strook vegetatie dat door het hele gebied heen slingert.’

Natuurbeheerders moeten aan bepaalde doelstellingen voldoen op het gebied van ecologie en diversiteit. Je kunt niet zomaar een deel natuurgebied kappen of een andere vegetatie aanleggen. Noorland: ‘In goed overleg kun je tot een besluit komen. Door deze oplossing wordt bovendien de diversiteit van de ecologische waarde van het gebied vergroot, een win-winsituatie. Elkaar vinden en je verantwoordelijk voelen is belangrijk om samen een toekomstgerichte en uniforme aanpak te realiseren. Natuurbrandbeheersing vergt een lange adem.’

BR201704-96385P18-NATUURBRANDBEHEERSING2
Henk Schuijn: ‘Bij het opstellen van vuistregels gaat het om hele basale regels. Op ongeveer een half A4 moeten de belangrijkste uitgangspunten komen te staan per vegetatiesoort.’

Vuistregels

Een ander deelproject is het opstellen van vuistregels die als uitgangspunt dienen bij natuurbranden. Henk Schuijn is deelprojectleider en geeft samen met vijf collega’s uit het land invulling aan het project dat eveneens net van start is. De projectgroep gaat zich de komende tijd bezighouden met het inventariseren en beoordelen van bestaande vuistregels op nut en noodzaak. De vertegenwoordigers komen verspreid uit het land. Schuijn: ‘Zij hebben kennis en ervaring in natuurbrandbestrijding en kennis van hoe een brand verloopt, kijkend naar hun ‘eigen’ regionale gebieden met onder andere bos, heide, duin, veen en riet. De brandweerlieden uit het zuiden hebben bovendien contact met de collega’s in België. Na een aantal grote branden pakken ook zij dit onderwerp grootschalig aan. We kunnen veel van elkaar leren.’

Iedere vegetatie vraagt om een specifieke aanpak. ‘Op basis van de beschikbare gegevens zoals windsnelheden, droge of natte grond, hoogte van de vegetatie, vlambreedte of -hoogte stellen we vuistregels op voor het beheersen van natuurbranden’, vervolgt Schuijn. ‘Niet alleen de bevelvoerder, OvD of HOvD kan op basis van de beschikbare vuistregels snel een inschatting maken wat voor materiaal, middelen en menskracht hij of zij nodig heeft, maar ook de collega’s van risicobeheersing kunnen dit gebruiken bij de gebiedsgerichte aanpak. Het gaat om hele basale regels. We willen het overzichtelijk, beperkt en zeer toegankelijk maken.’

De vuistregels ondersteunen de beeldvorming en dragen bij aan de besluitvorming over de inzet. ‘Maar ook op logistiek vlak en qua waterwinning worden regels opgenomen’, vertelt Schuijn. ‘We gaan daar waar mogelijk vuistregel met betrekking tot watertransportsystemen opnemen die de voertuigen van water kunnen voorzien. Afgezien van water is het ook op het gebied van logistiek handig om vuistregels beschikbaar te hebben. Met al deze gegevens kun je vervolgens ook een goede inschatting maken van je opschaling.’

In het land zijn al veel vuistregels in gebruik. Al dan niet wetenschappelijk of door ervaring onderbouwd. Schuijn: ‘Wij gaan al die gegevens bundelen, maar kijken ook waar we nieuwe informatie vandaan kunnen halen zoals ervaringen in het buitenland. Het onderwerp vereist verdieping. Daarom zullen we ook kijken naar de bruikbaarheid van (bestaande) vuistregels en waar we even-tueel nog wetenschappelijke onderbouwing voor nodig hebben. Het document dat we opstellen zal altijd door voortschrijdend inzicht in ontwikkeling zijn. We zijn nog steeds lerende en dat is goed. Het gaat erom dat we een goede fundering leggen waar we in de toekomst op voort kunnen borduren. De input uit dit deelproject zal uiteindelijk ook worden opgenomen in de (vernieuwde) les- en leerstof.’

BR201704-96385P18-NATUURBRANDBEHEERSING3
‘De eerste versie van het natuurbrandverspreidingsmodel staat op het om uitgerold te worden. Ondertussen wordt hard gewerkt aan een nieuwe versie waar nog we nog meer gegevens in kwijt kunnen.’

Natuurbrandverspreidingsmodel

Het natuurbrandverspreidingsmodel, het model dat uitrekent hoe een natuurbrand zich naar verwachting in zes uur tijd ontwikkelt, staat op het punt landelijk uitgerold te worden. ‘Technisch/functioneel is alles gereed’, vertelt deelprojectleider verspreidingsmodel Ester Willemsen van het IFV trots. ‘Op dit moment worden de laatste formele stappen gezet.’ In het natuurbrandverspreidingsmodel worden gegevens over de brandbaarheid van het type vegetatie en meteorologische gegevens toegevoegd. Op basis van deze informatie berekent het model hoe snel en in welke richting de brand zich uitbreidt.

Het model is samen met de regio’s, Brandweer Nederland, natuurbeheerders en het IFV ontwikkeld. ‘Door de input van diverse partijen kunnen we het model zo maken dat het in alle regio’s met natuurbrandrisico inzetbaar is’, aldus Willemsen. Ze is blij dat het na jaren ontwikkeling eindelijk in de praktijk door de regio’s kan worden gebruikt. ‘Ik kan niet wachten totdat de regio’s ermee aan de slag kunnen. Iedere regio krijgt een aantal inlogaccounts van het online model. Ook het grondteam van het Fire Bucket Operation Team gaat gebruikmaken van het model bij een inzet van de blushelikopter. Naast een handleiding is ook les- en leerstof beschikbaar in de ELO omgeving en het train-de-trainer programma is klaar.’

Hoewel het verspreidingsmodel op het punt staat om in gebruik te worden genomen, wordt al gewerkt aan een 2.0 versie van het model. ‘De huidige versie is een prachtige start en zeer waardevol. We hebben alleen veel wensen en gegevens die we technisch gezien niet meer in de eerste versie van het verspreidingsmodel kwijt kunnen’, vervolgt Willemsen. ‘De afgelopen jaren hebben we gedetailleerdere kaartgegevens en meer brandstofdata verzameld. Ook weten we meer over de huidige vegetatie en waar de hiaten zitten. In de eerste versie hebben we vijf brandstofmodellen opgenomen, maar er zijn wel twintig modellen mogelijk. Door samenwerking met diverse partijen krijgen we steeds meer informatie en weten we steeds beter wat we kunnen gebruiken voor het verspreidingsmodel.’

Op dit moment wordt met het Netherlands Space Office (NSO) onderzocht in hoeverre satellietbeelden omgezet kunnen worden in bruikbare vegetatiekaarten. ‘Satellietbeelden worden steeds vollediger en nauwkeuriger gevoed met informatie’, vertelt Willemsen. ‘Medewerkers van bedrijven die ruwe satellietbeelden om kunnen zetten in vegetatiekaarten worden jaarlijks getraind om het juiste vegetatietype te onderscheiden. Hierdoor ontstaat generiek kaartmateriaal voor heel Nederland.’ Twee keer per jaar wordt een kaart opgeleverd, in het voor- en najaar. Voor de brandweer en natuurbeheerders gunstige momenten. Willemsen: ‘Zo kunnen we goed zien hoe de natuurlijke ontwikkeling is van het landschap door vegetatiegroei en biomassa bijvoorbeeld. Op basis daarvan kunnen wij berekenen hoe brandbaar een gebied is en waar de risico’s zitten. Dit staat weer in verbinding met het deelproject RIN.’ Er loopt op dit moment een Europese aanbesteding voor de ontwikkeling van de 2.0 versie van het verspreidingsmodel. Voor de zomer wordt bepaald welke partij een definitieve versie mag maken. Het projectteam heeft al een goed beeld van wat ze willen en hoe het systeem eruit moet komen te zien.

BR201704-96385P18-NATUURBRANDBEHEERSING4
Wim Verboom: ‘In het najaar willen we veertien parameters voor de Risico-Index Natuurbranden digitaal hebben. Op dit moment hebben we er drie digitaal.

Risico-Index Natuurbranden (RIN)

De Risico-Index Natuurbranden (RIN) verder digitaliseren, dat is de taak waar de projectgroep RIN, onder leiding van deelprojectleider Wim Verboom, de komende maanden mee aan de slag gaat. De RIN is een instrument dat op basis van vaste en variabele gegevens inzichtelijk maakt hoe groot de kans op onbeheersbare natuurbranden in een bepaald gebied is. ‘We willen ongeveer 85 procent van alle gegevens die van belang zijn voor de RIN digitaliseren’, aldus Verboom. ‘Het doel is om in het najaar in totaal dertien parameters digitaal te hebben. Ambitieus, maar niet onmogelijk. We hebben al veel gegevens beschikbaar. Nu is het een kwestie van het op de juiste manier implementeren.’

De eerste RIN is in 2002 opgesteld voor de Veluwe door Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland en Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden. Wanneer in 2010 op de Strabrechtse Heide een enorme natuurbrand woedt, worden Kamervragen gesteld over hoe regio’s voorbereid zijn op dergelijke branden. De RIN wordt verder ontwikkeld zodat ook andere regio’s ermee kunnen werken, dan nog met een analoge versie van het model. Verboom: ‘De afgelopen jaren is gewerkt aan het digitaliseren van het model. Ook hebben we de afgelopen jaren veel data opgebouwd die van belang zijn om een steeds nauwkeurigere inschatting te kunnen maken van de risico’s in een gebied.’

‘Op dit moment zijn drie parameters digitaal’, vervolgt Verboom. ‘De vegetatie, de kans op uitbreiding en de ontsluiting van het gebied. Er zijn wel zeventien parameters, maar een viertal is niet te digitaliseren, zoals hoe snel een brand wordt ontdekt en gemeld. Ook de terreinbekendheid bij de korpsen is verschillend in het land. Deze factoren zijn wel van belang om een inschatting te maken op het risico van een onbeheersbare brand. Regio’s zullen daar zelf een inschatting van moeten maken.’

De overige parameters zijn wel te digitaliseren en ook voor de meeste regio’s van toepassing. Iedere regio heeft, in meer of mindere mate te maken met recreatieparken en campings in het gebied. Of zorginstellingen, vitale infrastructuur, vaste bewoners in het gebied, waardevolle objecten, waterwinpunten en brandkranen. Daarnaast heeft iedere regio een dekkingsplan van het gebied dat aan de RIN gekoppeld kan worden.

Op dit moment werken ongeveer acht veiligheidsregio’s met de digitale versie van de RIN die op dit moment beschikbaar is. ‘Wij hopen dat alle regio’s met natuurgebieden uiteindelijk met de digitale versie gaan werken’, aldus Verboom. ‘Het voordeel is dat je kennis en ervaring uit kunt wisselen en dezelfde taal spreekt. Zeker als we straks de meeste parameters digitaal hebben verwerkt, is dit een waardevol instrument om de risico’s op een onbeheersbare brand in kaart te brengen. Als regio kun je dan passende maatregelen treffen, dan wel je bestuur inzicht geven in de kans op een dergelijke natuurbrand.’

Alle deelprojecten hebben een belangrijke link met elkaar. Het één versterkt het ander, en andersom. Daarom wordt binnen het project continu informatie met elkaar gedeeld, zodat koppelingen ontstaan in deze omvangrijke klus.

Interregionale oefening

Op 11 en 12 maart vond een interregionale oefening plaats van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden en Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland. Een realistische oefening waarbij brand is geënsceneerd. Naast ondersteunende eenheden voor logistiek en waterwinning zijn zestien bluseenheden ingezet. In de CoPI-bak is het verspreidingsmodel ingezet. Op verzoek van de Leider CoPI zijn berekeningen uitgevoerd door het model. In het CoPI-overleg is vervolgens de uitkomst van de modelberekening samen met de projectie van LCMS-mobiel optimaal benut als ‘dynamische praatplaat’ als basis voor de tactische en strategische besluitvorming. Groot voordeel hierbij is dat dankzij deze beeldvorming van LCMS-mobiel aangaande de actuele situatie (footprint van de brand), de ingezette voertuigen en logistieke routes, ook andere betrokken partijen zoals de natuurbeheerder, mee kunnen kijken naar de berekende branduitbreiding. In dit geval kon de natuurbeheerder samen met de Leider CoPI overleggen over de praktische details in het veld waarmee rekening gehouden moet worden, zoals de berijdbaarheid of de zwaartepunten in de natuur.

Andere artikelen in deze aflevering

Effectievere feedback bij vaardigheidstoetsen

De vaardigheidstoetsen van het Algemeen Brandweer Wedstrijd Comité (ABWC) zijn in maart weer van start gegaan. Tot en met eind september worden brandweerploegen in realistische en dynamische scenario’...