Data bij incidentbestrijding: een zegen of een last?

Data bij incidentbestrijding: een zegen of een last?

Jildou Visser

Kan meer informatie bij de incidentbestrijding helpen om veiliger en effectiever in te zetten? Ja, zeggen Barry van ’t Padje, informatiemanager bij Brandweer Amsterdam-Amstelland en Bart van Leeuwen, eigenaar van databedrijf Netage en manschap bij Brandweer Amsterdam-Amstelland en Brandweer Utrecht. Maar ze waarschuwen ook: meer data is niet altijd beter. Het gaat om relevante data. De locatie en gezondheidsgegevens van manschappen in het project MoSeS van Brandweer Twente en de gegevens van een rookwolk in Pluimradar van het RIVM en het KNMI zijn daar voorbeelden van.

BR201807-1011INCIDENTBESTRIJDING2
Met het systeem MoSeS kan de bevelvoerder de locatie en de gezondheidsstatus van manschappen in een gebouw in de gaten houden.Fotografie: Brandweer Twente

‘Er zijn zoveel mogelijkheden waar we nog geen gebruik van maken of überhaupt over nadenken’, begint Van Leeuwen. Als voorbeeld noemt hij de informatie die beschikbaar is in verschillende managementsystemen in gebouwen, zoals een klimaatbeheersingssysteem. ‘Als wij kunnen inloggen op een systeem waarbij sensoren in een gebouw registreren of mensen in een ruimte aanwezig zijn, kan dat ons helpen bij het vaststellen van de locatie van eventuele slachtoffers. Met die informatie kun je sneller en gerichter inzetten.’

Van ’t Padje vult aan dat het eigenlijk ook vreemd is dat brandweerlieden ter plaatse nog fysiek naar een brandmeldpaneel moeten toelopen. ‘Als we daar aanrijdend al op kunnen inloggen, kunnen we sneller een beeld vormen en inzetten. Technisch kan het, maar het gebeurt niet, omdat er geen ontwikkelcapaciteit voor wordt vrijgemaakt. Zo zijn er veel meer systemen van andere partijen waar wij ons voordeel mee kunnen doen. Technisch is alles mogelijk, maar de hobbel om echt een samenwerkende instantie te worden moet daarvoor eerst nog worden genomen.’

Relevante data

Toch schuilt er volgens Van Leeuwen ook een risico in het gebruik van data bij de incidentbestrijding. Dit heeft deels te maken met de manier waarop informatie wordt aangeboden en deels met de hoeveelheid informatie. ‘De hoeveelheid informatie die we kunnen verwerken is beperkt, dat heeft het onderzoek naar commandovoering van de Brandweeracademie aangetoond. Daar komt bij dat de manier waarop informatie wordt aangeboden niet overeenkomt met de tactische inzetmodellen. Bovendien is niet alle aangeboden informatie relevant’, aldus Van Leeuwen. ‘We moeten toe naar systemen die beter aansluiten bij de praktijk en daar ook meer mee oefenen. Oefengebouwen staan nu bijvoorbeeld niet in de systemen wat het lastig maakt ermee te trainen.’

Daarnaast ziet hij kansen in het persoonsgebonden aanbieden van informatie. ‘Nu krijgt iedereen dezelfde gegevens. Als het systeem weet dat iemand een week eerder een bezoek heeft gebracht aan een gebouw, dan kan het ervoor zorgen dat de aangeboden informatie daarop aansluit. Iemand die er niet eerder is geweest, heeft wellicht meer en andere informatie nodig. We moeten zorgen dat de systemen waarmee we werken slimmer worden, zodat we kunnen voorkomen dat we te veel onnodige informatie krijgen en dat we informatie die we wel nodig hebben niet krijgen.’

MoSeS

Brandweer Twente heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van het systeem MoSeS, wat staat voor Mobile Sensing for Safety, en concludeert dat dit bijdraagt aan een veilige en efficiënte inzet. Met dit systeem krijgen de bevelvoerder en Officier van Dienst (OvD) realtime informatie over de positie en de gezondheids-status van de manschappen op hun tablet te zien. Ymko Attema van Brandweer Twente legt uit dat MoSeS slim gebruikmaakt van bestaande technologie, zo worden manschappen voorzien van enkele sensoren en een mobiele telefoon. ‘Hiermee kan de bevelvoerder zien wie waar in het gebouw is. Iedere manschap heeft een eigen gps-signaal en is herkenbaar aan de gebruikelijke roepnaam. Als zij via de porto aangeven dat een ruimte is verkend of dat er een slachtoffer ligt, kan de bevelvoerder die locatie op de tablet markeren’, legt Attema uit. Op die manier heeft de bevelvoerder goed overzicht van de situatie.

Daarnaast meten de sensoren ook de lichaamstemperatuur, de hoeveelheid ademlucht en de hartslag. Die informatie komt met een stoplichtensysteem op de tablet van de bevelvoerder of OvD binnen. Groen is goed, oranje is een indicatie dat er iets mis kan gaan en rood geeft aan dat er acuut iets mis is. Attema: ‘Iedere brandweerman of -vrouw heeft doordat ze de PPMO-test afleggen een persoonlijk gezondheidsprofiel, waarin bijvoorbeeld de hartslag in normale toestand en bij piekbelasting is vastgelegd. De sensoren zijn aan dat persoonlijke profiel gekoppeld. Als afwijkingen worden geregistreerd, springt het stoplicht op de tablet van de bevelvoerder op oranje. Hij weet dan dat er iets aan de hand is en kan zijn eenheden de opdracht geven zich terug te trekken.’

MoSeS is bedoeld voor gebruik in complexe gebouwen. ‘De techniek in de telefoons die de manschappen bij zich hebben, is zodanig aangepast dat ze onderling een netwerk creëren. Als het signaal daarvan te zwak is, krijgen de manschappen een signaal. Zij kunnen dan in die ruimte een soort router plaatsen waarmee de verbinding wordt versterkt.’

Het grote voordeel van het systeem is volgens Attema dat het simpel werkt. Bij de einddemonstratie van het project zijn bewust collega’s ingezet die niet eerder met het systeem hebben gewerkt. ‘Het is heel intuïtief, je kunt ermee werken zonder er trainingen voor te volgen. Het ondersteunt de reguliere inzet en helpt om dit veiliger en efficiënter te doen.’ MoSeS is nog een prototype. Een marktpartij bekijkt momenteel of ze dit concept op de markt gaan brengen.

BR201807-1011INCIDENTBESTRIJDING1
Met de Pluimradar van het RIVM en het KNMI kunnen de richting en de dichtheid van een rookwolk snel inzichtelijk worden gemaakt. Fotografie: RIVM

Pluimradar

Een ander systeem dat kan helpen bij de incidentbestrijding is Pluimradar. Deze online tool is in juni door het RIVM en het KNMI gelanceerd. Het berekent aan de hand van een aantal ingevulde gegevens hoe snel en in welke richting een rookwolk of een wolk met gevaarlijke gassen zich verspreidt en waar deze uiteindelijk neerkomt. Gea Stam van het RIVM laat weten dat de tool beschikbaar is voor alle Adviseurs Gevaarlijke Stoffen (AGS) en de meetplanleiders. ‘Ze kunnen een account aanmaken. Bij een incident voeren ze een aantal gegevens in, zoals het startmoment, de verwachte duur en de bronhoogte. Vervolgens gaat de applicatie met deze gegevens en de voorspelde meteorologische gegevens van het KNMI rekenen. Binnen drie tot vijf minuten verschijnt een animatie op het scherm waarin je kunt zien hoe de pluim zich in de loop van de tijd beweegt’, legt Stam uit. ‘Daarnaast kun je in de pluim zien waar de concentratie stoffen het hoogst is en waar de stoffen naar verwachting neerkomen.’

De voorspellingen zijn volgens Marco Nolet van het KNMI in veel gevallen redelijk nauwkeurig. ‘Maar in een weerstype met variabele winden en buien die plotseling lokaal ontstaan, kan het voorkomen dat de voorspelling niet klopt. De weermodellen geven de actuele situatie niet altijd goed weer. Als een pluim wordt aangevraagd, kijken wij hoe bruikbaar de voorspellingen zijn. Als wij zien dat de wind op een ander moment gaat draaien dan de verwachting aangeeft, kunnen we contact opnemen met de aanvrager om die informatie door te geven.’

Jetty Middelkoop, AGS bij Brandweer Amsterdam-Amstelland heeft al kennisgemaakt met Pluimradar. ‘Het is een mooie tool. Het maken van een pluim kost weinig moeite. Het geeft een snelle inschatting waar de rook- of gaswolk naartoe gaat. Dit zijn beelden die je ook in het CoPI goed kunt gebruiken.’ Toch ziet Middelkoop ook enkele verbeterpunten. ‘Ik zou graag zien dat een zijaanzicht wordt toegevoegd, zodat ook de hoogte van de pluim inzichtelijk is. Dat is vooral handig om een inversielaag zichtbaar te maken. Hierbij stijgt de wolk tot een bepaalde hoogte, botst op een luchtlaag met een andere temperatuur en blijft daar dan onder hangen. De wolk vlakt dan zichtbaar af. Dit kan van invloed zijn op de bestrijdingsstrategie. Daarnaast hoop ik dat het RIVM de tool ook meer gaat inrichten voor andere gevaarlijke stoffen, een ammoniakwolk gedraagt zich nou eenmaal anders dan een rookwolk. Hier komt namelijk na het opstijgen van de wolk geen depositie bij vrij zolang het niet regent, maar die indruk wordt in de huidige versie wel gewekt.’

Het RIVM en het KNMI hopen dat brandweerlieden die de tool gebruiken feedback geven. Stam: ‘Aan de hand daarvan kunnen wij een wensenlijst maken voor de verdere ontwikkeling van Pluimradar.’

Jildou Visser

Andere artikelen in deze aflevering

Data en de brandweer, een (on)gelukkig huwelijk?

Informatie en systemen spelen in de huidige maatschappij een steeds grotere rol. Voor de een is het een vloek, voor de ander een uitkomst. Met het gebruik van steeds meer systemen en gegevens komen oo...

Dataveiligheid belangrijker dan ooit

De hoeveelheid informatie die binnen veiligheidsregio’s wordt gebruikt en verwerkt is de afgelopen jaren sterk toegenomen. Daarmee groeit ook het belang om de systemen technisch veilig te houden en er...