Inzet bij kleinschalige radioactieve incidenten: houd het simpel

Inzet bij kleinschalige radioactieve incidenten: houd het simpel

Visser, J.

Kleinschalige radioactieve incidenten komen nauwelijks voor, maar behoren wel tot de taken van de basisbrandweereenheid. Hoe moet je inzetten? Wat moet je wel en wat moet je juist niet doen? ‘We leren het allemaal in de opleiding, maar doen er eigenlijk geen ervaring mee op. Dat baart mij weleens zorgen, omdat we mogelijk door onzekerheid kostbare tijd verliezen die levens kan kosten. In vrijwel alle gevallen kunnen we binnen de normen levensreddend optreden’, begint Thorsten Hackl, Adviseur Gevaarlijke Stoffen (AGS) en stralingsdeskundige van Brandweer Midden- en West-Brabant.

BR201911-3637RADIOACTIEVEINCIDENTEN1
Fotografie: Jeroen Stuve

Naast de drie kernreactoren in Nederland, in Borssele, Petten en Delft, zijn in Nederland nog duizenden andere radioactieve bronnen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om medische toepassingen, röntgen­apparatuur en industriële radioactieve stoffen voor diktemetingen en het controleren van lasnaden. ‘Grofweg kun je incidenten met radioactieve bronnen opdelen in transportincidenten en incidenten bij vergunninghouders als industriële bedrijven, ziekenhuizen en tandartsen. Bij die laatste categorie gebeurt eigenlijk nooit iets’, laat Hackl weten. ‘Bij bedrijven die werken met radioactieve bronnen zijn veel veiligheidsmaatregelen getroffen en het personeel is opgeleid ermee te werken. Als er in Nederland incidenten zijn waarbij radioactieve bronnen zijn betrokken, dan is die kans het grootst in het transport. Er rijden honderden wagens met radioactieve bronnen in Nederland rond. Vaak gaat het om kortlevende radioactieve stoffen voor gebruik in ziekenhuizen. Je herkent ze aan de gevaarsborden die worden gevoerd. De radioactieve stoffen die worden vervoerd, zijn overigens volgens de hoogste veiligheidsstandaarden verpakt. Er moet wel sprake zijn van een zeer ernstig ongeval voordat die dusdanig beschadigd zijn dat er radioactiviteit uit kan ontsnappen.’

Stralingsnormen en effecten

Als het gaat om een inzet bij kleinschalige radioactieve incidenten pleit Hackl ervoor de inzet zo simpel mogelijk te houden. Hij is ook in internationaal verband betrokken geweest bij het aanpassen van het handelingsprotocol van het internationaal atoomagentschap IAEA. ‘Hoe eenvoudiger je het houdt, des te minder fouten je maakt. Eigenlijk is het ook helemaal niet ingewikkeld. Je doet je uitrukkleding aan, je ademlucht op en je zet de stralingsmeter aan. Zo lang je binnen de norm van 2 millisievert (mSv) blijft, is er niks aan de hand en kun je gewoon je werk doen. Die dosis is in principe verwaarloosbaar. Je kunt het vergelijken met de jaardosis die de gemiddelde Nederlander ieder jaar oploopt.’ Voor langduriger brandweerinzetten bij kleinschalige incidenten geldt volgens Hackl een Arbonorm van 20 mSv voor werknemers. Indien sprake is van een noodsituatie mag de dosis oplopen tot 100 mSv. ‘In nog uitzonderlijkere gevallen geldt een hogere aanvaardbare dosis van 250 mSv voor het redden van uitermate belangrijke materiële belangen en 500 mSv voor het levensreddend optreden, het voorkomen van ernstige gezondheidseffecten door straling of om de ontwikkeling van catastrofale omstandigheden te voorkomen. Bij deze laatste drie normdoses gaat het om grootschalige kernongevallen met reactoren.’

Volgens Hackl valt de lichamelijke impact van dergelijke doses radioactieve straling mee. ‘In veel gevallen zal de mentale impact groter zijn dan de lichamelijke. We weten uit wetenschappelijk onderzoek dat bij een stralingsdosis onder de 200 mSv de lichamelijke effecten niet zijn aan te tonen. Tussen de 200 en 1000 mSv kunnen mensen eventueel misselijk worden en neemt het aantal witte bloedlichaampjes af. De lange termijneffecten van die dosis zijn niet met zekerheid vast te stellen. Voor een hoge dosis geldt een vuistregel dat per 1000 mSv de kans op kanker met vijf procent toeneemt. Bij lagere doses is dat effect nog niet vastgesteld.’

BR201911-3637RADIOACTIEVEINCIDENTEN2
Thorsten Hackl

Ontsmetten

Ook als het gaat om de ontsmetting pleit Hackl ervoor om het zo simpel mogelijk te houden. ‘Eventuele radioactieve besmetting kun je met de stralingsmeter goed opsporen. Begin na een inzet dus met het controleren van je uitrukkleding met de stralingsmeter. Is een laars besmet? Trek die uit en verzamel het apart. In bijna alle gevallen kun je beter de besmette kledingstukken uittrekken, apart schoonmaken en daarna opnieuw controleren, dan dat je volledig ontsmet met water en zeep. Losse radioactieve deeltjes zijn makkelijk te verwijderen. Als je in een vlek gaat wrijven, wordt die alleen maar groter. Bovendien zit je dan ook met besmet water. Pas als iemand volledig onder de radioactieve stoffen zit, is volledige ontsmetting een goed idee.’

Nazorg

Tot slot benadrukt Hackl dat nazorg bij radioactieve incidenten van groot belang is. ‘Radioactiviteit is nou eenmaal erg beladen. We hebben vaak het idee dat het erg gevaarlijk is, terwijl dat best meevalt, maar we moeten wel aandacht hebben voor de mentale effecten direct na het incident, maar ook in latere stadia. Het kan immers zijn dat de ingezette brandweerlieden later vragen vanuit de omgeving krijgen, waarna ze onzeker worden. We moeten onze mensen na een incident de kans geven de vragen te stellen die ze hebben. Alleen op die manier kunnen we eventuele onrust wegnemen.’

Andere artikelen in deze aflevering

Ook van problemen delen word je rijk

Het Brandweerevent was fijn. Ontmoeten, bijpraten, nieuwe verhalen en oude bekenden allemaal in een nieuwe, frisse vorm. Met dank aan de organisatie was het voormalige congres een